
Het taboe op poepen
We doen het allemaal, maar we praten er nauwelijks over. Het is zo’n vanzelfsprekend onderdeel van het lichaam dat je zou denken dat het net zo normaal besproken wordt als eten of slapen. Toch ligt er ergens een soort onzichtbare laag overheen waardoor het snel ongemakkelijk wordt zodra het woord poepen in een gedeelde ruimte ter sprake komt.
In een openbare plek verandert dat direct. Niet omdat het ineens iets anders wordt, maar omdat we met elkaar hebben afgesproken om het niet te benoemen. Je merkt het, je weet wat er speelt, maar je laat het zijn voor wat het is. Alsof het benoemen ervan het groter maakt dan het al is.
En dat is misschien wel het vreemde eraan. Iedereen herkent het, iedereen heeft er mee te maken, en toch houden we afstand in woorden. We kiezen voor beleefdheid, voor ruimte geven aan elkaar, en voor het vermijden van dat ene moment waarop iets te direct wordt gezegd.
Maar soms gebeurt het toch. Iemand zegt het gewoon zoals het is. Er hangt een luchtje in de wc. Zonder omweg, zonder filter. En dan voel je even hoe sterk die ongeschreven regels zijn geworden. Niet omdat het verkeerd is wat er gezegd wordt, maar omdat we gewend zijn geraakt aan het niet benoemen ervan.
Misschien is het vooral een kwestie van gewoonte. Een manier om elkaar comfort te geven, ook al is dat soms wat kunstmatig. Een soort stille afspraak die ervoor zorgt dat we met elkaar kunnen samenleven zonder overal woorden aan te hoeven geven.
Tegelijk blijft het iets menselijks. Iets wat bij het lichaam hoort, zonder dat het er minder normaal om wordt. Misschien is het niet iets om weg te duwen, maar ook niet iets dat constant uitgesproken hoeft te worden. Gewoon iets dat er is, zoals zoveel andere kleine, alledaagse dingen die we allemaal delen.
![]()